'Pas op dat we de kip met de gouden eieren niet verkopen', was een veelgehoorde uitspraak in de discussie begin 2008 over eventuele verkoop van afvalverbrander Twence in Hengelo.
Na diverse onderzoeken en stevige discussies in gemeenteraden en Regioraad Twente is besloten niet te verkopen, maar als aandeelhouder juist directer bij Twence betrokken te zijn. Het proces dat tot dit besluit leidde kan ongeacht, of misschien wel juist vanwege de heftigheid van het debat worden gezien als een voorbeeld van transparant bestuur en onderbouwde besluitvorming. Een ander thema was dat het niet paste om de financieringsbehoefte van de regio, met name voor de Agenda van Twente, te verbinden aan de discussie over het eventueel verkopen van het tafelzilver dat Twence heet. Misschien onvermijdelijk, gelet op de krappe kas van gemeenten, gebeurt dit nu toch.
De opdracht voor Twence is om in de komende tien jaar bovenop het reguliere dividend nog 80 miljoen euro extra bij te dragen aan de Agenda van Twente: per jaar 8 miljoen euro.
In een zeer concurrerende markt met een, volgens minister Cramer in een brief van 6 oktober jl., 'kleine overcapaciteit aan verbrandingscapaciteit', is dit een lastige opgave. Gemeenten zonder eigen afvalverbrander en ook bedrijven shoppen rond op zoek naar de laagste verbrandingstarieven. En ook in Duitsland gaat het richting een overcapaciteit. In een dergelijke markt een 'superdividend' uitkeren kan alleen als de eigen burgers een relatief hoog tarief betalen.
In een sterk concurrerende markt neigend naar overcapaciteit is Twence niet de gedroomde kip met de gouden eieren, tenzij de Twentse burger fungeert als melkkoe voor de Agenda van Twente. Momenteel ligt het tarief waar tegen Twents huisvuil wordt verbrand op circa 115 euro per ton, maar Twence acquireert brandbaar afval van gemeenten als Delft en Schiedam tegen een veel lager tarief van mogelijk circa 60 euro.
Een gemeente als Delft houdt in haar begroting dankbaar rekening met een daling van 33 procent van de verbrandingskosten.
Dat de Twentse gemeenten zich voor de komende tien jaren vastleggen om afval tegen een relatief hoog tarief aan te leveren, kan scherp geformuleerd worden betiteld als een verkapte vorm van belastingheffing. Een deel van de afvalstoffenheffing is dan niet bedoeld ter dekking van de kosten van afval, maar om de regionale agenda te financieren. Zou het niet zuiverder zijn om hier transparant over te zijn en bijvoorbeeld in de afrekening voor de afvalstoffenheffing deze 'opslag' zichtbaar te maken?
Er ligt ook een ander probleem op de loer, namelijk dat van oneigenlijke concurrentie. Wie kan controleren of en zo ja in welke mate het door Twence aan de Zuid-Hollandse gemeenten geboden verwerkingstarief gebaseerd is op de werkelijke verwerkingskosten? Kost Zuid-Hollands afval minder om te verwerken dan Twents afval? Het is in ieder geval een raar beeld dat overheidsbedrijven elkaar en óók private bedrijven op zo'n manier beconcurreren.
En er ligt ook een potentieel knelpunt op het vlak van milieubeleid. Gemeenten hebben een sterke financiële prikkel om 'alles wat maar een beetje wil branden' toe te leiden naar de eigen afvalverbrander. Dit kan ten koste gaan van de gewenste aandacht voor preventie van afval en bevordering van scheiding en hergebruik. Niet voor niets hebben de brancheverenigingen van recyclingbedrijven en milieuorganisaties hierover recent de alarmklok geluid.
Er zijn verder ook praktische bezwaren tegen scheiding van afval. Zo kan iemand op een flat moeilijk drie of vier soorten afval scheiden, maar het financiële belang van de eigen afvalverbrander lijkt mee te spelen bij het verzet van sommige gemeenten tegen het scheiden van plastic verpakkingsafval. In Twente pakken veel gemeenten dit overigens actief op, maar de financiële prikkels van gemeenten op het terrein van afval zijn niet in lijn met de milieubelangen. Er ligt hier een rol voor de wetgever om deze situatie te verbeteren anders kan het er zeker bij een blijvende overcapaciteit in de markt voor afvalverbranding toe leiden dat het milieu uiteindelijk het haasje is.
Auteur is adviseur markt en overheid bij economisch onderzoeksbureau Decisio BV te Amsterdam.















