RIJSSEN/NEW YORK - Geweldig vindt hij het, een interview in De Twentsche Courant Tubantia, de krant (toen nog Dagblad Tubantia) die hij zelf nog heeft rondgebracht. "Zes jaar lang, elke dag.
Gelukkig waren jullie toen nog een avondkrant."Vincent van Gelder (37), pianist. Binnenkort de eerste Rijssenaar met een solorecital in de Carnegie Hall in New York. Een aankondiging in de krant van een paar weken geleden leverde leuke reacties op. Van oud-klasgenootjes van de lagere school in Rijssen, lang geleden. "Ze schreven: Goh, Vincent, we wisten helemaal niet dat je piano speelde. Nou, dat kan kloppen, want toen speelde ik ook helemaal nog niet. Ik ben pas op m'n twaalfde begonnen. Normaal gesproken te laat voor een klassiek pianist."
Met een licht Amerikaans accent vertelt hij over zijn wonderlijke leven. Een Rijssense jongen die binnenkort debuteert op het beroemdste concertpodium van de wereld: het kan verkeren. Vandaag vertrekt hij vanuit zijn eigen huis in Greensboro in de Amerikaanse staat North Carolina naar New York, zondag moet hij spelen.
"Een jongensdroom, natuurlijk, al is het voor mij nooit wezenlijk geweest om zoiets te bereiken. Ik hou gewoon van pianospelen. Dit vak geeft zoveel vrijheid, zoveel mooie momenten. Je kunt doen wat je leuk vindt: hoeveel mensen in deze wereld kunnen je dat nazeggen? Musici moeten niet zeuren. Ze hebben het mooiste werk dat er bestaat."
Van Gelder woont al zo'n zes jaar in Amerika. In achtereenvolgens Illinois, Kansas City en nu in Greensboro. Hij geeft er les en geniet er van het weer, dat doorgaans mooi is. "We zitten zo ongeveer op de hoogte van de Canarische Eilanden. Op vijf minuten van het vliegveld: wat wil je nog meer. En het huis heb ik grotendeels zelf gebouwd, inclusief het zwembad en de watervallen in de tuin. Geleerd van mijn vader, net als gitaarspelen."
Hij begon op z'n zesde met lessen op de Rijssense Muziekschool. Directeur Dick Sanderman kan nog de programma's opsommen van de voorspeelavonden waar hij aan meedeed. Na zijn keuze voor piano ging het razendsnel met Vincent van Gelder. Na drie jaar speelde hij al Liszt, zijn grote favoriet destijds en de eigenlijke reden dat hij ooit achter de vleugel terecht is gekomen. "Ik kwam op een middag thuis en de radio stond aan. De uitzending ging over het Liszt Concours in Utrecht. Ik was totaal overrompeld. Ik hoorde pianisten spelen en dacht alleen maar: hoe is het mogelijk dat mensen dat kunnen? Liszt is ook bij uitstek de componist die alles uit de piano weet te halen. Ik ben onmiddellijk met lessen begonnen. Moest heel veel inhalen, misschien wel te veel, maar kon dat compenseren door mijn inzet. Technisch echter zijn er altijd de nodige problemen geweest. Helaas heb ik ook niet altijd de goede begeleiding gehad, maar uiteindelijk is alles toch nog op z'n pootjes terechtgekomen."
Een naam die hij in dit verband absoluut wil noemen, is die van Benno Pierweyer, de overleden pianodocent van het conservatorium in Enschede. Iemand die, zegt Van Gelder, niet alleen over pianospelen sprak als een vorm van sport en prestaties maar als iets dat je vooral doet omdat het zo verschrikkelijk mooi is.
"Ik hou van dit soort oprechte en tegelijk ook relativerende mensen. Die kunnen je ook echt verder helpen. Ik heb te veel pianisten meegemaakt die volkomen voorbijgaan aan je enthousiasme en je zo maar in het gezicht zeggen dat het toch niks met je zal worden. Ik ben nu zelf docent en kan me niet voorstellen hoe ik dat ooit met een leerling zou kunnen doen. Je eerste doel is toch om mensen voort te helpen. Leslie Howard, de befaamde Amerikaanse pianist, is in dat opzicht een lichtend voorbeeld voor me. Een genie, die man, met z'n fotografische geheugen. Ik heb hem leren kennen via het Liszt Concours. Wij waren de enige in dat gezelschap van pianisten die wijn dronken. De rest dronk sinasappelsap. Hij heeft het beste in mij naar boven gehaald."
Zijn loopbaan verliep grillig. Via het conservatorium in Enschede kwam hij in Letland terecht, en via Letland in Amerika. Toeval speelde een grote rol, naast de vaste wil om iets van zijn pianistenleven te willen maken.
"Dankzij de contacten van mensen als Chris Fictoor, de ex-directeur van het conservatorium, mocht ik drie maanden in Riga studeren. Er ging een wereld voor me open. Zat je opeens te spelen in een zaal waar Liszt en Wagner nog hadden gespeeld, te midden van musici die allemaal verschrikkelijk goed waren. En ik heb er mijn latere vrouw leren kennen: een Letse pianiste, de dochter van een bekend Letse musicus. Toen zij een tijd later een beurs voor Amerika kreeg, woonde ik bij mijn schoonouders in huis. Haar Amerikaanse leraar kwam bij toeval met Kerstmis op bezoek. Tussen de sneeuwstormen door heb ik voor hem voorgespeeld. Een paar maanden later kon ook ik naar Amerika afreizen."
Hij voelt er zich als een vis in het water. Bouwt in alle rust aan zijn carrière, begon er zijn eigen platenlabel en probeert er een solocarrière op te bouwen. Carnegie Hall zondag is daarbij een belangrijk moment, misschien wel het belangrijkste in zijn pianistenleven.
"Als het goed gaat en de kritieken zijn gunstig, dan kunnen er deuren voor je opengaan. Het is in feite belachelijk, maar zo zit deze wereld gewoon in elkaar. Muziek maken is ook ondernemen, initiatieven ontplooien."
Hij speelt Beethoven, Chopin, Prokofjev, Rachmaninov en, natuurlijk, Liszt. "Die mag niet ontbreken. Hij is nog steeds een van mijn lievelingscomponisten. Nog steeds ook heb ik het gevoel dat ik die man moet verdedigen. Veel collega's vinden dat hij te veel noten gebruikt, dat de passie de kwaliteit overstijgt. Dat kan zijn, maar ik zeg 't maar zo: als hij er niet was geweest, was ik nooit piano gaan spelen en had er zondag in Carnegie iemand anders gespeeld."














